‘Ik heb nog wel een pluspuntje aan vandaag: Ik heb eindelijk een quote gevonden om op je deur te schrijven. Doe me er straks aan denken dat ik hem er op zet.’

 

12 oktober. Mathilde en ik zitten in het busje onderweg  naar huis. We zijn beiden uitgeput en ietwat terneergeslagen van een drukke schooldag gevolgd door een vermoeiende ‘toneelschool’. Het is al half acht, het regent en het is nog maar dinsdag. We verlangen beiden naar ons bed maar moeten nog elk beginnen aan ons huiswerk.  I.a.w. het is ons dagje niet.

 

DING DONG

‘Dat zal Laurence zijn.’

 

Mathilde is nog niet de deur uit of de bel kondigt nieuw bezoek aan.

Laurence? Mijn verpleegster? Dinsdags legt mama mij toch in bed? En moest Laurence vandaag niet bij haar kinderen blijven nu haar man in Barcelona zit? Mama zal zich wel vergist hebben.

 

‘ ‘allo! Iek eb mijn assistente meegebracht. Waar ies Ans?’

 

‘ Ik zit in de living!’

 

Dus toch Laurence! Dat probleem van de kinderen is zo te zien opgelost maar dat verklaart nog niet wat ze hier komt op haar vrije avond.

 

‘Iek eb nog eens nagedacht over de Italiëreis.’

 

Lap! Dat is het! Ze ziet het niet meer zitten om mee te komen en wil me dat nu persoonlijk komen vertellen. Oh, zeg dat het niet waar is!

 

‘Iek eb de programmatie doorgestuurd gekregen…’

 

…En kijk ernaar uit om te vertrekken. Zeg het dan! Zeg het dan!

 

‘…en iek denk dat et niet haalbaar ies. Het ies echt te zwaar.’

 

BAM. Die kwam hard aan. Daar gaat al mijn hoop. Als mijn open-minded en down-to-earth verpleegster het al niet meer ziet zitten, moet het al echt heel zwaar zijn maar toch..

 

‘Wat is… ‘te zwaar’? ‘

 

‘ Om te beginnen zit je  bijna 24 uur in de bus. 24 uur waarin jij niet uit je stoel kan om gemobiliseerd te worden, niet zeker bent of je op tijd een stopplaats vindt om te sonderen en waarin je waarschijnlijk niet kan slapen door ‘et ongemak van je rolstoel.’

 

BAM.BAM.BAM. 3 ijzersterke argumenten die ik allemaal wel al zelf bedacht had, maar die ik in mijn hoop verdrongen had naar de kelders van mijn onderbewust zijn. Alhoewel, ijzersterk? Valt dit niet nog te regelen? Dat mobiliseren is niet zoo belangrijk. Het is niet dat ik van een dag doorligwonden ga krijgen. Of wel? Neen, dat is onmogelijk en 1 nacht niet slapen is met al mijn medicatie- en hormonenproblemen misschien wel gevaarlijk maar toch niet onoverkomelijk en dat sonderen zal ook wel op z’n pootjes vallen. …Ja toch?

 

‘ De volgende dag kom je aan in Pisa en daar blijf je de ‘ele tijd tot de bus je ’s avonds komt oppikken om naar ‘et ‘otel te rijden. Daar zouden we dan een stalen verpleegster moeten hebben om je ien bed te leggen en vergeet niet dat je niet kan uitslapen want de volgende ochtend vertrekken jullie al vroeg naar Firenze.’

 

BAM BAM BAM.  Mijn maag trekt samen. Ieder argument komt aan als een klap in mijn gezicht. Ruw wordt ik uit de droom getrokken dat ik mee naar Italie kan. En toch wil ik me er niet bij neerleggen. Plies er MOET toch iets te regelen zijn?

 

 

‘ En dan, de dag daarna gaan ze naar Sienna. Een middeleeuwse stad die niet rolstoeltoegankelijk is.  Jij kan niet mee. Wie gaat er dan bij jou blijven? Mathilde? Ik weet nu al dat je niet zou willen dat zij of iemand anders Sienna mist om bij jou te blijven. Ies het niet?

 

BAM BAM BAM BAM BAM BAM BAM BAM BAM BAM BAM BAM BAM BAM BAM BAM Daar raakt Laurence een gevoelige plek.  Ze heeft gelijk. Ik zou nooit willen dat Mathilde of wie dan ook haar of zijn vakantie opoffert om voor mij te zorgen. Ik vond het al verschrikkelijk dat Laurence aan haar gezin moest vragen of zij het zagen zitten om tijdens hun verlof mee te reizen met mij zodat Laurence mij ’s ochtends en ’s avonds kan verzorgen. Neen,  dat kan ik niet maken…

 

‘ Nee. Dat zou ik…dat zou ik…’

 

Ik bezwijk. Wat kan ik nog zeggen? Ik sta machteloos,  ontbreek de energie om verder te vechten. Dit was het dan. Ik ga niet mee. Ik blijf thuis. …ik blijf thuis…

 

‘Het is…laat maar…in orde. Ik wil…mijn bed…ik…’

 

En daar in het midden van de keuken ( naar waar we ondertussen zijn verplaatst) begin ik te huilen.

Als een kind van 7 dat ontdekt dat het zijn vader is die in de nacht van 6 december de wortel in zijn schoentje ruilt voor een cadeau en niet de sint: beroofd van een droom en uit het veld geslagen voor de rest van de dag. Maar hier ga ik niet op wachten. Ik ga slapen.

 

‘ Ans, luister eens. ‘et is niet omdat ‘eel de reis niet mogelijk is, dat we niet een stuk kunnen volgen ‘e. We kunnen een deel selecteren dat ‘aalbaar is en onderweg inpikken ‘e.’ En je mag niet vergeten dat de mensen vaak WILLEN helpen ‘e. Iek denk alleen dat ‘eel de reis fysiek en daardoor ook uiteindelijk mentaal te zwaar gaat zijn, en iek wil niet dat je ‘elemaal kapot bent als we naar ‘uis gaan.’

 

Vermoeid kijk ik naar Laurence en zie dat ze oprecht bezorgd is. Ik wil haar zeggen dat het zoveel meer is: dat ik van mezelf vind dat ik niet van haar mag verlangen dat ze haar verlof opoffert, dat ik niet van de school mag verwachten dat ze de reis voor mij aanpassen, dat ik aan niemand van de leerlingen de taak wil geven voor mij te zorgen, dat ik de anderen hun reis niet wil verpesten omdat ze ’s ochtends langer moeten wachten tot mijn stalen verpleegster is ingeladen, …’ Maar ik ben te moe en knik alleen.

 

Niet veel na het vertrek van Laurence, rijd ik naar mijn kamer waar ik opeens de quote van Mathilde zie, geschreven op mijn zwarte muur. Mijn mondhoeken krullen omhoog. En voor het eerst die dag grijns ik.

Deze zinnen zorgden ervoor dat ik die nacht toch nog goed geslapen heb en dat ik de volgende dag in staat was de dingen helder op een rijtje te zetten en te bedenken hoe ik in Italie zal geraken. Want met voldoende organisatie, steun (waarvan zoveel mensen me de dagen daarna verzekerd hebben dat die er zal zijn) en waarschijnlijk een enorm grote dosis geluk, moet dit toch lukken, denk je niet?

 

Tot de volgende?

Ans