8 juli 2011

Op een rustige ochtend in Contis, een afgelegen gehucht in het Zuid-westen van Frankrijk.

 ‘Bonjour!’

Terwijl Daan en ik de oprit van onze bungalow afrijden en richting zee willen trekken, komt een vrouw op ons afgestapt. Achter haar aan strompelt een klein jongetje.

‘Bonjour madame.’

‘Regarde petit: elle parle. Elle est normal.’

Oké, die zag ik niet aankomen…

De vrouw houdt vlak voor mijn rolstoel halt. Ietwat verbaasd kijk ik van haar naar het jongetje. Deze houdt zich schuil achter zijn moeders rok en staart mij vanuit zijn schuilplaats met grote ogen aan.

‘Bonjour.’

In een poging het ventje op zijn gemak te stellen en zijn moeder te bevrijden van het gezwel achter haar rok, schenk ik hem mijn allerliefste en kindvriendelijkste glimlach.

Tu le vois? Elle sourit! Elle parle, elle sourit et, regarde, elle lit!  Alors, elle est normal.’

De vrouw wijst naar het boek op mijn schoot…Geen reactie. Het manneke blijft me aanstaren als ware ik een afgezante uit de ruimte, een alien, met als missie het opeten van alle kleine Franse jongetjes op aarde.

 ‘Vous pouvez même la toucher’.

De vrouw wrijft over mijn arm. Tof, tof. Van alien ben ik al gepromoveerd tot  teddybeer. Wat een vooruitgang!

‘Oui, oui, tu peux la toucher.’

Natuurlijk moet Daan zich bemoeien.

Hoe dan ook, een effect heeft het niet. De kleine trapt niet in het teddybeergedoe en lijkt nog steeds te wachten op het moment dat ik word opgebiebd door mijn moederschip en zijn planeet verlaat.

‘Nous reviendrons encore une fois!’

De vrouw glimlacht nog eens en vertrekt op de voet gevolgd door haar zoontje dat niet snel genoeg weg kan komen nu zijn schuilplaats is opgedoekt of, in dit geval, is weggewandeld.

‘Oui. Faites ça. Au revoir!’

Daan kantelt me op mijn kiepwieltje, duwt me de weg op en rijdt me, nog steeds gekanteld, verder.

‘Ans, we moeten dringend een T-shirt voor je laten maken. Eentje met: “je mag mij knuffelen.” Of iets dat daar op lijkt. Klinkt dat niet goed?’

‘Ja hoor.’ Met de grootste moeite, duw ik al mijn gewicht naar voren om terug in normale positie te belanden. Zodra Daan merkt waarmee ik bezig ben, helpt hij me een handje. Nadenkend over de voorbije gebeurtenis en blij dat ik terug met alle wielen op de grond sta, kan ik toch geen lach onderdrukken.

‘Dat lijkt me wel wat, Daan. Dat wil ik wel.’