Dag lieve lezer!

Het vinden van een woonvorm voor iemand met een beperking als de mijne is geen evidentie. Enerzijds is er het puur praktische aspect van de ruimte die groot genoeg moet zijn zodat mijn rolstoel erin past en die liefst op het gelijkvloers ligt (het tweede eerder omwille van gewicht dan omvang – van de rolstoel natuurlijk!), of die in iedere geval bereikbaar is met een (betrouwbare) lift. Anderzijds, en dit is nog het moeilijkste, is het ook belangrijk dat er een vorm van nachtpermanentie aanwezig is waar ik indien nodig beroep op kan doen en dat er ook overdag steeds iemand beschikbaar is om te helpen met de (kleinere) dagdagelijkse activiteiten. Zelfs als ik het tuintje, de openhaard en de meterslange muur, voor een reeks al even lange boekenschabben, achterwege laat die ik al sinds jongs af aan als minimale voorwaarde voor mijn toekomstige huis vooropstel, blijven er door deze vereisten uiteindelijk slechts een handvol (of eigenlijk zelfs maar vier) opties over:

1) Casa Di Mama: een oplossing die wel meerdere studenten kiezen (en dan heb ik het niet over de pizza’s) na hun studies om wat te kunnen sparen, maar die ik echt niet zie zitten. Is het niet doordat ik na al die jaren in Leuven best gesteld ben geraakt op mijn, iet of wat, zelfstandige leventje, dan wel doordat ik van mezelf vind dat ik ze thuis al meer dan genoeg last heb bezorgd.

2) Een instelling, of specifieker: een gemeenschappelijke opvangplaats voor mensen met een handicap, waar dag en nacht verpleging is, iedereen zijn eigen kamer heeft  (met in de meer luxueuze versies, ook een eigen badkamertje), telkens gegeten wordt in een of andere gezamenlijke refter en waar de hoogtepunten gevormd worden door de pannenkoeken op zondag en het jaarlijkse uitje naar de zoo. Hoewel ik 2,5 jaar in gelijkaardige omstandigheden gerevalideerd heb en me erbij heb neergelegd ooit weer in zo’n instelling te zullen belanden, hoop ik dit toch zo lang mogelijk te kunnen uitstellen (zòò denderend zijn die uitjes naar de zoo ook weer niet).

3) Heb je al ooit de drie hoge gebouwen gezien, in het rood, blauw en groen, als je langs de autostrade richting Antwerpen rijdt of de appartementsblokken van Sint-Maartensdal of de Ridderstraat in Leuven? Dit zijn vestingen van Zewopa en IZW. Ieder van hen bestaat (gedeeltelijk) uit aangepaste woningen en heeft onderin een kantoor met zorg-, en verpleegkundigen waar bewoners met een beperking tot 30 uur per week (afhankelijk van de graad van hun letsel en, daarbij aansluitend, hun budget) beroep op mogen doen. Ook deze woonvorm komt voor mij in aanmerking. Tenminste, als mijn uitkering daar hoog genoeg voor is; de wachtlijsten niet te lang zijn en ik echt al mijn hoop op een woning die ietwat aan mijn smaak beantwoordt en geïntegreerd is in de samenleving, opgeef.

Mocht je benieuwd zijn naar de appartementsblokken in Antwerpen, ook wel bekend als de ‘Zilvertoptorens’, of zin hebben om eens een kleine duizend traptreden op te rennen (er bestaan zo van die zotten), mijn zus organiseert op 11 juni een loop in de gebouwen als taak voor haar studies. Inschrijven, en het sturen van spamberichtjes naar mijn zus (oh plies doen!), kan op: https://www.facebook.com/silverrunantwerpen/

3) Carehousing. Een project net als cohousing, maar waarbij hier, naast dat iedereen zijn eigen appartement heeft en er enkele kamers gedeeld worden, ook de zorg voor een persoon met een handicap in het programma is opgenomen. Ik zou het je hier allemaal schriftelijk kunnen uitleggen, maar aansluitend bij mijn voornemen om meer media in mijn blogfragmentjes te verwerken (zie 1. Terug van weggeweest en alweer klaar om te vertrekken 2017), heb ik besloten om het eens via een (oké, oké, ik weet het, tìkkeltje  langdradig) filmpje te doen:

Je beseft dat Carehousing een initiatief is dat erg afhankelijk is van de goede wil van mensen. Eigenlijk zou dit niet mogen zijn. Door de invoering van PVF, persoonsvolgende financiering, zouden personen met een beperking zelf van de staat een bedrag in handen moeten krijgen dat afgesteld is op hun zorgvraag en dat ze zelf mogen besteden aan de zorgdiensten en organisaties die zij verkiezen. Echter, hoe mooi de achterliggende gedachte ook moge zijn, in de praktijk komt het er vaak op neer dat de procedures om aan deze budgeten te geraken heel lang zijn; de administratie nadien erg omslachtig is; de organisaties die dit alles zouden moeten helpen organiseren, erg talrijk en verstrooid zijn (al is er onlangs op de site van het VAPH een applicatie verschenen om in dat laatste al wat orde te scheppen https://cr.vaph.be/wegwijzer/pvb ); en de effectieve hulpdiensten vaak even schaars als ongelegen gesitueerd.

Ik hoor het je al denken: het wordt dringend tijd dat iemand met de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Jo Vandeurzen, gaat praten. Wel…, dat is exact wat ik enkele dagen geleden gedaan heb!

Het filmpje van mijn gesprek met Jo Vandeurzen in ‘De Madammen’ op Radio 2 dinsdag, heb ik nog niet gekregen, maar hier alvast een geluidsfragmentje om je toch al een beeld (of juist niet) van de situatie te geven (het stukje met de babystem ben ik!):

(Radio 2. De Madammen, 16 mei 2017)

 

Ziezo. De pleidooien zijn geschreven, de videofilmpjes gemaakt, de gesprekken gevoerd. Voorlopig kan ik niets anders doen dan afwachten en hopen op een positief vervolg: geïnteresseerden of grootgrondbezitters voor Carehousing die zich aanmelden, een verfijning van de PVF, een verspreiding van assistentie- en nachtpermanentiediensten,…

Eens zien of de kracht van media even sterk is als men beweert!

Tot de volgende?

Ans